Honing
HONING is een natuurproduct waarvoor (nog) geen kunstmatige alternatieven zijn met vaak onvermoede eigenschappen, honing is een zoetstof en bevat diverse suikers, mineralen en sporenelementen.

Honing krijgt de zoetheid van monosachariden, fructose en glucose en heeft ongeveer dezelfde relatieve zoetheid als kristalsuiker (97% van de zoetheid van sucrose, een disaccharide). Honing heeft aantrekkelijke chemische eigenschappen voor het bakken en een kenmerkende smaak waardoor sommige mensen de voorkeur aan honing geven boven suiker of andere zoetstoffen.
Honing bevat:
- 17,5% water
- 72 % Enkelvoudige suikers
- 2,5% Sacharose
- 8 % overige stoffen
HONING-bijen verzamelen nectar met als belangrijk (neven-) effect het bestuiven van de bloemen, dit is van cruciaal belang voor bloeiende planten. De bijen veranderen vervolgens de nectar in honing door het toevoegen van enzymen en het onttrekken van vocht. dit maakt honing tot een zéér bijzonder en complex product. De bij verzamelt de nectar in haar honingblaas en voegt er via klierafscheiding stoffen (o.a. enzymen) aan toe waardoor een fermentatieproces (oxidatie) in gang wordt gezet. Het produceren van honing is een uiterst intensieve klus, voor de productie van één kilo honing moet een bij zo'n 200.000 keer uitvliegen!
Bijen maken de honing als 'noodrantsoen' voor mindere tijden zoals koud weer of wanneer ander voedsel schaars is. Een bijenkorf bevat drie typen bijen, een bijenkoningin, een seizoen-variabel aantal mannelijke bijen en zo'n 20.000 tot 40.000 vrouwelijke werk-bijen. De werksters verzorgen de bijenlarven en verzamelen de nectar voor de korf. Als de werksters uitvliegen voor het verzamelen van de nectar dan komen Nasonov feromonen (geurstoffen) vrij. Deze feromonen leiden de andere bijen naar de rijke nectarlocaties en zorgen er tevens voor dat ze de weg terugvinden naar de juiste korf.

In de korf zullen de bijen hun "honingmaag" legen en de 'honing' een aantal malen opnieuw inslikken en opgeven totdat het deels is voorverteerd. Dit is een 'groepsactiviteit' en gaat door tot de honing de gewenste kwaliteit heeft. Vervolgens wordt het opgeslagen in de cellen van de honingraat. De cellen worden nog niet afgesloten want de honing bevat nog teveel vocht waardoor de suikers zouden gisten. De werkbijen in de korf zorgen door te slaan met hun vleugels voor een constante luchtstroom over de onafgesloten cellen om zodoende het overtollige vocht te verdampen en de concentratie van suikers te verhogen waardoor gisting wordt voorkomen. Rijpe honing kan lang bewaard worden zonder te gisten indien ze goed (luchtdicht) is afgesloten.
Honingraat.
De kleur, geur en smaak van honing variëren met het soort bloemen waaruit de nectar is gewonnen, we kennen bijvoorbeeld heidehoning, lindehoning, lavendelhoning, rozenhoning, klaverhoning enz..
Kinderen jonger dan een jaar kunnen uit voorzorg het beste geen honing eten, het maag- en darmstelsel van zuigelingen tot 12 maanden is nog onvoldoende ontwikkeld en daardoor instabiel. Honing kan sporen van Clostridium botulinum bevatten, die overal voorkomen, en die in bijzondere gevallen zuigelingenbotulisme kunnen veroorzaken.
Honing heeft in veel culturen een zuiverende betekenis vanwege haar zoetheid. In het oude China was honing al bekend als zoetmiddel en een symbool voor seksueel genot. Ook in Indiase mythen speelt honing een belangrijke rol.



